• Francisca Flinterman

Geluk gehad

“Sterven is doodeenvoudig, iedereen kan het,” zei René Gude in 2014, vlak voordat hij de strijd met botkanker verloor. Inmiddels kan ik het beamen. Ik was even dood, klinisch dood officieel. Op een woensdagochtend, eind september vorig jaar. Zonder aanwijsbare oorzaak hield mijn hart er ineens mee op. Niets moeilijks aan.


Het was een traumatische ervaring, vooral voor mijn omgeving. Voor mijn sportschoolmaatjes die meteen een reanimatie in gang zetten. Voor mijn zoons, die door de politie van school gehaald werden en in het ziekenhuis te horen kregen dat het niet zeker was of mama weer wakker zou worden. Voor mijn naaste familieleden, die niets anders konden doen dan in spanning afwachten en een kaarsje branden. En misschien ook wel voor mijn vrienden en collega’s, die mij ontsteld overlaadden met kaartjes en ballonnen. Voor mij bleef de traumatische ervaring beperkt tot wakker worden in het ziekenhuis en me realiseren dat ik op onverklaarbare wijze even weggeweest was. Vier dagen zijn volledig uitgegumd in mijn geheugen. Volgens de cardioloog is dit een beschermingsmechanisme van de hersenen bij te traumatische ervaringen.

Later kwam het besef dat ik behoor tot de 10 procent van mensen met een hartstilstand die er goed uitkomt. Dat heb ik te danken aan het adequate handelen van de mensen op de sportschool en de politieagenten die snel ter plaatse waren. Iedereen was het erover eens: “Wat heb jij geluk gehad!” en “Je had een engeltje op je schouder!” Ik kon niet anders dan dit beamen. Tot ik me ineens afvroeg: Wie heeft er nu eigenlijk geluk gehad? Ben ík dat geweest? Of zijn dat mijn kinderen en mijn naasten? Een hartstilstand is een prachtige manier van sterven: ongemerkt wegglijden uit het leven, terwijl je er nog middenin staat. Een dood zonder pijn, zonder aftakeling. “Maar je vindt het leven toch mooi?” vroeg een goede vriend, toen ik deze gedachte met hem deelde. Dat is zeker zo, maar het leven is ook niet altijd eenvoudig. En misschien is niet-leven ook wel mooi.


Als onderdeel van mijn revalidatie las ik elke ochtend een uurtje in ‘De zin van het leven’, van Fokke Obbema, de Volkskrantjournalist die ook een hartstilstand overleefde. Een boek vol interviews over existentiële levensvragen. Voor Henk Blanken, collega-journalist en parkinsonpatiënt, draait het leven vooral om het geluk van anderen, wat hem de uitspraak ontlokte: “Mijn dood is niet van mij.” Hij vindt dat anderen over zijn dood moeten beslissen als hij straks dement is; zij worden immers het meest met lijden geconfronteerd. Het raakt me. Mijn dood is ook niet van mij. Niet alleen bij dement doorleven, ook bij onverwacht jong sterven ligt het lijden op het bord van de achterblijvers.


Wendy Hoogendijk, die haar vader door een auto-ongeluk verloor, laat in hetzelfde boek een ander geluid horen. Zij is ervan overtuigd dat behalve de achterblijvers, ook de ziel van de overledene een soort rouwproces doormaakt. Zou dat in mijn geval ook zo geweest zijn? Heb ik een begin van rouw of verlies gevoeld, toen ik ineens alles los dreigde te moeten laten? Ik heb geen idee; in mijn herinnering zit een vredig gat. Maar het feit dat mijn zusje me vertelde dat ik een paar keer heel verdrietig was, toen ik op de IC wakker werd, maakt dat ik twijfel. Was het toch een traumatische ervaring? Had ik pijn? Of was het lastig weer terug te moeten keren naar het leven; iets wat mensen die hun bijna-dood-zijn ‘bewust’ hebben ervaren, vaker rapporteren? Misschien zal ik daar nooit achter komen.


Het is net alsof ik wat minder, of anders, aan het leven gehecht ben. Maar ik ben blij dat ik er nog ben. In de eerste plaats voor mijn twee zoons, maar in toenemende mate ook omdat ik nog niet klaar ben op deze aarde. Ik heb nog dingen te doen, daar maakt o.a. deze column deel van uit.


Deze column is in maart gepubliceerd op de site van de Academie voor Geesteswetenschappen in Utrecht

38 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven