Snorrende ziel
- Francisca Flinterman
- 21 jul 2025
- 3 minuten om te lezen
Drie katten, drie karakters: Het mannetje Daantje is rustig en wat bangig, soms aanhalig en als hij iets wil dwingend. Zijn zusje Diwi nieuwsgierig en niet bang, slim, sociaal en de koningin van het huis. En dan de jongste, Luna, goedig, wat dommig, volgzaam maar snel van slag. En God, wat houden we van alle drie.
Afgelopen weekend stierf Diwi. Ze is gewoon gaan liggen op de keukenvloer en niet meer opgestaan. Zonder drama, zonder waarschuwing. En sindsdien is het huis stiller. Een stilte die opvalt doordat zij er altijd zo nadrukkelijk wĆ”s. Bezoekers vanaf de trap begroetend, zodra de voordeurbel klonk. Met haar staart langs de salontafel zwiepend, waar geen kopje meer veilig was. Languit op de vloer liggend, in de verwachting dat ze aangehaald werd. Loeiend onder aan de trap aandacht eisend midden in de nacht. Stiekeme rooftochten op het aanrecht, waar geen koek of cake veilig was. Wachtend bij de badkamerdeur, zodat ze de druppels van de vloer kon likken. Haar kop vlak voor mijn gezicht als ik ās nachts half wakker werd. Luid spinnend, voelend dat ik beschikbaar was.
Ik mis haar. En ik zie dat de andere twee katten haar ook missen. Ze plassen buiten de kattenbak, zijn in verwarring bij het gezamenlijke voerritueel en kijken alsmaar rond alsof ze iets verwachten.
Volgens mijn zoon maak ik me schuldig aan antropomorfisme. Ik dicht onze katten menselijke emoties toe: jaloezie, verdriet, genegenheid, geluk. Misschien, maar ik sta daar niet alleen in. Wetenschappers lijken er steeds meer van overtuigd dat verschillende dieren, zoals olifanten, apen, orkaās, maar ook honden en katten, tekenen van rouw laten bij het verlies van een maatje.
Maar betekent dit dat dieren ook bewustzijn hebben? Een vraag die al eeuwenlang filosofen en wetenschappers eeuwenlang bezighoudt. Bewustzijn verwijst naar het vermogen om ervaringen te hebben, om te voelen wat het is om te bestaan. Onderzoekers beweren dat bepaalde dieren, zoals olifanten, dolfijnen, apen en zelfs kraaien, een vorm van zelfbewustzijn hebben. Ze kunnen zichzelf herkennen in een spiegel en complexe sociale interacties hebben. Maar wat betekent dit voor onze huisdieren? Hebben mijn dierbare katten ook een vorm van bewustzijn?
Misschien hebben ze niet zozeer bewustzijn, maar zijn ze bewustzijn. Dat idee ā dat bewustzijn niet iets is wat wij bezitten, niet een product van de hersenen, maar iets wat alles doordringt, een fundamenteel aspect van het universum ā vind ik steeds troostrijker. Mensen, katten, vogels, zelfs insecten zijn allemaal belichaamd bewustzijn. Gemaakt van dezelfde āsterrenstofā, onderdeel van ƩƩn ademend geheel. Dieren zijn niet āminderā dan wij, maar eerder eenvoudiger variaties in hetzelfde veld. Misschien minder afgeleid door gedachten. Meer aanwezig. Meer afgestemd op de ritmes van leven en dood, van komen en gaan, zonder verzet. Wat zouden wij kunnen leren als we hen werkelijk serieus namen? Er zijn niet voor niets zoveel boekjes verschenen over de wijze lessen van de kat.
Ik praat soms met dieren. Bijen en vlinders verwelkom ik in mijn tuin, wespen die te dichtbij komen stuur ik ā net als mijn moeder altijd deed ā vriendelijk naar āhuisā, de mussen op het dak groet ik als ik ās ochtends naar buiten ga, en met honden en katten die ik op straat tegenkom wissel ik vaak hele zinnen. Ze antwoorden niet ā of misschien wel, maar op een frequentie die ik niet versta.
Datzelfde weekend kocht ik een klein beeldje van Sint Franciscus. Hoewel ik van huis uit niet katholiek ben, zie ik hem toch als mijn naamheilige. Al lang wilde ik er een hebben en ineens stond hij daar. Te midden van dieren, met een blik van vrede. Wat zou ik graag net als hij met dieren communiceren. Maar het is alsof hij me zegt: āJe bent op de goede weg. Blijf praten, en blijf vooral ook luisteren.ā
Wat had Diwi me kunnen vertellen in de maanden voor haar dood? Ik vermoedde al een tijdje dat ze ziek was. Hoewel ze nog levendig was, werd ze steeds magerder. En ze trok zich vaker terug, zocht plekjes op waar niemand haar stoorde. Tegelijkertijd was onze band in die tijd sterker dan ooit. Misschien omdat we allebei voelden dat het einde naderde. Misschien omdat het besef van eindigheid alles intenser maakt. Wat mij troost, is het idee dat niet alleen ik me heb gelaafd aan haar aanwezigheid, maar dat ook zij zich gekoesterd heeft gevoeld. In het stille, woordeloze weten dat er liefde en nabijheid was.
Ik ben dankbaar voor alles wat ze me gaf. Voor haar vertrouwen. Haar snorrende aanwezigheid. Haar eigenwijze karakter. En voor de liefde die ze achterlaat ā een liefde die voelbaar blijft, zelfs nadat ze op die bewuste dag stilletjes op de keukenvloer ging liggen
en niet meer opstond.



Opmerkingen