• Francisca Flinterman

Mijn eigen briefje - 2

Mijn autobiografie ‘Een briefje uit de hemel’ besluit ik met de uitspraak “Ik mag zelf mijn eigen briefje schrijven”.[1] Ik schreef het aan mezelf, als bemoediging en als aanmoediging. Binnen het vak Existentiële Filosofie bij de Academie hielden we ons onder andere bezig met filosofische discussies over de vrije wil. Ik confronteerde mezelf met de vraag: is er überhaupt een ‘briefje’ dat geschreven moet en kan worden? Is er een te gane weg of hangt het leven van toeval aan elkaar? En in het eerste geval, kan en mag ik dat briefje dan inderdaad zelf schrijven? Laat ik mijn eigen uitspraak eens in het licht houden van verschillende filosofische perspectieven die binnen de colleges de revue passeerden.

Volgens Jean-Paul Sartre, één van de bekendste filosofen van het existentialisme, is er geen twijfel over mogelijk: zo er überhaupt iets te schrijven valt, moet ik dat helemaal zelf doen, al levende weg. Hij zegt in een interview: “Er is geen uitgetekend pad dat naar de verlossing leidt. De mens moet die weg voortdurend zelf kiezen. Om te kunnen kiezen is hij vrij, verantwoordelijk, zonder excuus. Alle hoop ligt in hemzelf”[2] Het is alsof hij mij daarmee persoonlijk antwoord geeft. Er is geen God en daarmee ook geen weg of bedoeling van mijn leven. De mens wordt volgens Sartre in het bestaan geworpen en daarmee gaat zijn existentie aan de essentie vooraf. Ik ben zoals ik mezelf ten diepste denk en wil, zoals ik mezelf opvat, wat ik van mezelf maak. We moeten voortdurend kiezen. Met dat ik mezelf ‘kies’, kies ik de wereld waarin, en de mensheid waarmee ik leef, mijn universum, waarmee er een grote verantwoordelijkheid aan vasthangt. Er is geen van boven- of buitenaf gegeven zin van het leven; ik ben zelf verantwoordelijk voor de zin die ik zelf aan het leven geef. Lastig! Want ondanks dat ik niet meer in het stramien van een systeem wil lopen, zou ik diep van binnen toch heel graag een van hogerhand gegeven zin of betekenis ontvangen. Of misschien een goedkeuring dat ik de goede weg loop. Maar er is geen absoluut goed. Ergens is het een eenzame weg, uiteindelijk moet ik het alleen doen. Niemand anders kan mijn keuzes maken, voor mij het leven leven. Dat wordt dan ook Existentiële eenzaamheid genoemd. Tegelijkertijd heb ik anderen nodig om te kunnen existeren. Volgens Sartre kan een mens niets zijn als anderen hem niet als zodanig erkennen. Elke poging om enige waarheid te verkrijgen over mijzelf verloopt via de ander. De ander is onmisbaar voor mijn existentie.[2],[3],[4]


Søren Kierkegaard, een negentiende-eeuwse filosoof en door velen beschouwd als een van de grondleggers van het existentialisme, ziet dat anders. Voor hem is het wel God die mij uiteindelijk bepaalt en die zin aan mijn leven geeft. Het existentialistische zit bij Kierkegaard in het feit dat ik zelf continu actief moet kiezen voor mijn bestaan.[2] Daarbij kan ik wel de kwaliteit van mijn bestaan bepalen, maar niet de weg die ik moet gaan. Bij Kierkegaard heeft vrijheid iets paradoxaals. Werkelijke vrijheid betekent dat ik er vrijwillig voor kies de mogelijkheid van vrijheid op te geven, mijn wil toe te vertrouwen aan God en de weg te gaan die ik moet gaan.[4] En dat is een heel individueel gebeuren. In andere woorden: ik mag dus wel de details van mijn briefje inkleuren maar de grote lijnen zijn al geschreven. Ondanks dat Kierkegaard waarschijnlijk zou gruwen van de leer waarin ik ben opgegroeid, ruiken zijn ideeën voor mij teveel naar vroeger. Toen wist ik me ook gedwongen om te 'kiezen' voor een bepaald religieus leven.


Volgens Friedrich Nietzsche, een andere negentiende-eeuwse grondlegger van het existentialisme, is er helemaal geen zin van het leven. Nietzsche nodigt mij uit om mijn waarden zelf te scheppen, mijn ‘lot’ te omarmen (‘amor fati’) en mijn leven te zien als een kunstwerk.[5] Er is geen vooraf geschreven briefje. Mijn levensverhaal ontstaat in de omarming van het leven dat me toevalt, wordt door het leven zelf geschreven. Ik had rond mijn dertigste mijn eigen ‘God is dood’- ervaring, met alle desoriëntatie die daarbij hoort. De streng-christelijke sekte waarin ik was opgegroeid, was uit elkaar gevallen en ik bleef in totale verwarring achter. Wat altijd zo waar en goed had geleken, bleek een farce. Ik omarmde Nietzsches uitspraak ‘God is dood’. Maar de verworven vrijheid viel me zwaar en het verlies van bestemming en kader voelde als een gapende zinloosheid. En 'God' die ik de deur uit had geschopt, leek ik via de achterdeur steeds weer binnen te laten. In de jaren die volgden, bleef ik zoeken naar dat ene briefje uit de hemel dat mij zou vertellen welke weg voor mij de goede was. Tegelijkertijd wilde ik dat briefje helemaal niet hebben, bang om weer in een onvrij regiem terecht te komen. Een dilemma.


Waar Nietzsche zou ontkennen dat er überhaupt een briefje geschreven kan worden, lees ik bij Sartre dat ik veroordeeld ben om gaandeweg het leven zelf mijn briefje te schrijven, en lijkt Kierkegaard mij toch een briefje uit de hemel voor te spiegelen, maar dan wel een waarbij ik de ruimte heb om zelf details nader in te vullen. Bijzonder dat drie filosofen die aan de wieg hebben gestaan van het existentialisme me zo’n verschillend antwoord zouden geven. Maar ze zouden alle drie zeggen dat ik als individu zelf verantwoordelijk ben.


Dat ligt anders bij hard-deterministische benaderingen, zoals die van Sam Harris en Dick Swaab. Volgens dergelijke benaderingen is mijn denken en handelen terug te voeren op neurologische, biochemische en/of sociale processen die aan de causaliteitswetten gehoorzamen. Ik dènk wel dat ik zelf mijn beslissingen neem maar die zijn uiteindelijk het gevolg van causale processen. De vrije wil is een illusie.[6][7] De inhoud van het briefje dat ik zou willen schrijven, ligt allang vast in mijn genen en mijn omgeving. Alles wat ik zou schrijven is niet een product van mijn vrije wil maar het resultaat van al of niet diep verborgen oorzaken en onbewuste processen. Eerlijk gezegd kan ik me daar best iets bij voorstellen. Mooi dat Dick Swaab de vrije wil wel een plezierige illusie noemt. Ik heb dan toch in ieder geval het idee dat ik zelf mijn briefje schrijf en zo mijn leven vormgeef. Volgens Harris ben ik echter wel vrij in hoe ik dingen interpreteer. Zo schrijft hij “een van de meest verfrissende ideeën van het existentialisme […] is dat het ons vrij staat om de zin van ons leven te interpreteren en herinterpreteren.”[6] Zo kan ik zelf ‘kiezen’ in hoeverre ik mijn leven zin toeken. Hoewel ik vermoed dat Dick Swaab zou zeggen dat ook denkprocessen als interpretaties van de zin van het leven het resultaat zijn van neurologische processen en dat het dus de vraag is hoe ‘vrij’ ik daar in ben.


Ik realiseer me dat dit ik hierbij uitga van het bestaan van een ‘ik’ dat losstaat van het determinerende lichamelijke, los van de neurologische en sociale processen die mijn denken bepalen. Daar zal Dick Swaab het niet mee eens zijn, gezien zijn discussie met Bert Keizer over het al of niet bestaan van de ziel.[7] Maar ik sta daar niet alleen in. Ook Jan Bransen en Jan Aleman betogen dat ons brein weliswaar een zeer grote rol speelt in onze denkprocessen maar dat we daar niet mee samenvallen. Er is altijd nog iets van een ‘ik’ dat het brein gebruikt.[8][9] Hier lopen het objectieve en het subjectieve standpunt door elkaar. Vanuit een objectief standpunt zou ik het kunnen hebben over het bestaan van een ik, al of niet met een vrije wil, terwijl ik tegelijkertijd mijn eigen subjectiviteit nooit zal kunnen overstijgen (overigens een uitspraak van Sartre[3]).


Vanuit mijn eigen subjectiviteit ben ik ervan overtuigd dat ik niet alleen lichaam ben maar ook geest. En hoe zit het dan met het al of niet bestaan van een transcendente werkelijkheid, van die zogenaamde God en die hemel die in mijn leven maar op blijven duiken? En zo er een transcendente werkelijkheid is, in hoeverre vraagt, wil of eist die transcendente werkelijkheid iets van mij? Of nog extremer: in hoeverre bepaalt die mijn vrije wil, mijn denken en mijn handelen? Het blijft een lastig, schier onoplosbaar vraagstuk. En omdat ik me zowel (deels) kan vinden in het idee van het bestaan van een vrije wil als in de gedachte van een vooraf bepaald zijn, kan ik niet kiezen voor de filosofie die me het meest aanspreekt. Vanuit mijn intuïtief erkennen van een transcendentie die ik nooit ten volle zal kunnen kennen, eindig ik bij de existentialist Karl Jaspers die benadrukt dat de hele discussie de grenzen van ons denken overstijgt. We vangen glimpen of geheime tekens (‘chiffren’) op van het transcendente dat uitnodigt tot een ‘filosofisch geloof’.[10]


[1] Francisca Flinterman (2018). Een briefje uit de hemel. Soesterberg: Aspekt. [2] Sarah Blakewell (2016). “Ach meneer, wat vreselijk, existentialisme!” in S. Blakewell: De existentialisten, pp. 7-45. Utrecht: VBK media. [3] Jean Paul Sartre (1946). “Existentialisme is humanisme.” Tekst van een lezing gegeven in 1946. Verschenen in: Wouter van Gils e.a. (2005): Filosofie. Deel 4: De 20e eeuw, pp. 172-206. Leeuwarden: Company of Books. [4] Heleen Torringa (2020). Powerpoints module Existentiële Filosofie. [5] Mats Lodenstijn (2018). “Nietzsche en Levenskunst. Levenskunst als antwoord op het nihilisme in De Vrolijke Wetenschap.” Masterscriptie Filosofie Tilburg University. [6] Sam Harris (2020). De Vrije Wil. Amsterdam: Samsara. [7] Frank en Maarten Meester (2012). “De ziel bestaat niet: eens/oneens”. Filosofie Magazine 4/2012: 80-85. [8] Jan Bransen (2014). Je brein of je leven. Leusden: ISVW Uitgevers. [9] Jan Aleman (2017). Je brein de baas. Amsterdam: Atlas. [10] Mariëlle Polman (2018). “Maak kennis met Karl Jaspers. Zijn betekenis voor geestelijke verzorgers”. Tijdschrift Geestelijke Verzorging 19 (81): 46-50.

8 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven